
disclaimer
03 september 2010
Powered by
Zero Creative 3D
|
 |
 |
 |
 |
Klinische chemie
Bij lichamelijk klachten
van een patiënt wil een arts weten waar die door veroorzaakt worden. Het kan ook zijn dat bij een lopende
behandeling van een patiënt de arts wil weten of de behandleing succes heeft. En hoe het eventueel verder
moet met de behandeling. Of misschien gaat het om een beoordeling van het risico om een bepaalde ziekte te krijgen.
Is het raadzaam om preventieve maatregelen te nemen? Deze vragen kunnen wij in het klinisch-chemisch laboratorium
helpen beantwoorden. Want ons onderzoek dient voor: het vaststellen of uitsluiten van ziekten, het volgen van het
verloop van de ziekte, het vaststellen van het succes van een behandeling, het voorkomen van ziekten.
De Nederlandse klinisch-chemische laboratoria behoren tot de beste van de wereld. Ze staan onder leiding van een
klinisch chemicus of laboratoriumarts. Het onderzoek gebeurt door gediplomeerde medisch analisten. Nationaal georganiseerde
kwaliteitscontroleprogrammas waarborgen een voortdurend hoge kwaliteit van het werk. Medisch analisten hebben een
vierjarige middelbare (MLO) of hogere (HLO) beroepsopleiding gevolgd. Zij voeren het belangrijke analytische werk
op een laboratorium uit. Analisten met een HLO-opleiding zijn gerechtigd tot het voeren van de titel ingenieur
(ing.).
In het menselijk lichaam zijn vele (chemische) stoffen aanwezig. Bij goede gezondheid zijn de bestanddelen in de
juiste hoeveelheden en verhoudingen aanwezig. Bij ziekte is er soms te veel van iets, of juist te weinig. Zo kan
het bloed van suikerpatiënten te veel suiker (glucose) bevatten. En bij bloedarmoede zijn er te weinig rode
bloedcellen. Ons onderzoek maakt echter niet altijd duidelijk of iemand gezond is of ziek. Er zijn honderden verschillende
onderzoeken mogelijk. In het klinisch chemisch laboratorium worden vele lichaamsvloeistoffen onderzocht zoals:
serum, plasma, urine, faeces, liquor, beenmerg, ascitesvocht, oogvocht, pleuravocht, sperma. Bij de meeste ziekten
geeft vaak slechts één of enkele van deze onderzoeken een afwijkend resultaat. En bij sommige ziekten
geeft onderzoek zelfs helemaal géén afwijkingen te zien. Het is dus onzin om zomaar onderzoek te
doen. Het is de arts die - eventueel na overleg met de klinisch chemicus - beslist welke van de vele mogelijke
onderzoeken nodig zijn. Ons onderzoek moet de vragen van de arts beantwoorden. Daarom onderzoeken wij alleen datgene
waar de arts om vraagt.
De uitslag van ons onderzoek heeft alleen betekenis in combinatie met de gegevens van de ziektegeschiedenis van
de patiënt en de bevindingen van eventueel ander onderzoek. Al die gegevens zijn bekend bij de behandelend
arts. De klinisch chemicus kan de arts adviseren over de interpretatie van de resultaten van het onderzoek. De
arts is degene die hieruit conclusies kan trekken voor diagnose of behandeling (Bron: Nederlandse Vereniging voor
Klinische Chemie).
(FOTO RECHTS bron:http://www.mstwente.nl/laboratorium)
BLOED
Het meest bekende
menselijk materiaal, wat vaak geanalyseerd (=onderzocht) wordt, is toch wel bloed. Bloed is een vloeistof met een
zeer complexe samenstelling.
Bloed bestaat uit ca. 55% bloedplasma (=bloedvloeistof) en ca. 45% bloedcellen, wat in de nevenstaande afbeelding
duidelijk te zien is.
Als je bloed in een buis laat stollen noem je de bloedvloeistof geen plasma, maar serum.
De rechter buis is gecentrifugeerd in een speciale centrifuge, waardoor de cellen en de bloedkoek naar de bodem
zakken.
Plasma bestaat voor ca. 90% uit water en voor de rest uit eiwitten, zouten (mineralen), voedingsstoffen (bijv.
glucose = suiker), afvalstoffen en hormonen.
De bloedcellen worden onderverdeeld in erytrocyten (=rode bloedcellen), leukocyten (=witte bloedcellen) en trombocyten
(=bloedplaatjes).
Op onderstaande afbeelding zie je een aantal rode bloedcellen en één witte bloedcel, op een speciale
manier gekleurd, bij een vergroting van 1000x.
Genoemde onderdelen van het bloed worden vaak allemaal onderzocht.
Ook kan het bloed onderzocht worden op bacteriën (bloedvergiftiging).
De bloedafname
Er zijn, wat betreft de samenstelling van het bloedmonster, 3 manieren om bloed af te nemen (te prikken):
- Capillair bloed (uit de haarvaatjes van vingertop, oorlel of babyhieltje)
- Veneus bloed (aderlijk bloed, meestal uit de ader van de elleboogplooi)
- Arterieel bloed (slagaderlijk bloed, meestal uit de liesslagader)
Capillair en veneus bloed wordt meestal door vaste prikkers of door analisten afgenomen; arterieel bloed wordt
altijd door een arts afgenomen.
Capillair en veneus bloed wordt gebruikt voor allerlei klinisch chemische, hematologische, immunologische en microbiologische
bepalingen; het zuurstofrijke arteriële bloed wordt in enkele gevallen gebruikt voor klinisch chemisch onderzoek.
Verder wordt veneus bloed ook gebruikt voor chromosomenonderzoek.
Als men plasma nodig heeft voor een onderzoek moet aan de prikbuis een antistollingsmiddel (=anticoagulans) toegevoegd
worden.
Voor sommige bepalingen is het nodig dat de patiënt nuchter geprikt wordt, d.w.z. dat hij een groot aantal
uren vóór het prikken niets mag eten en alleen water mag drinken.
Dat komt omdat sommige stoffen direct na het eten van voedsel in verhoogde concentratie in het bloed voorkomen.
Dan zou de arts verkeerde conclusies kunnen trekken. Het gaat hier vooral om glucose (= een suiker) en triglyceriden
(= een vet).
URINE
Urine bevat allerlei stoffen die door de nieren uit het bloedplasma zijn verwijderd. De samenstelling van urine
kan ons iets leren over het functioneren van de nieren en over de samenstelling van het bloedplasma.
Voor routine-onderzoek gebruikt men bij voorkeur verse ochtendurine, omdat oude urine troebel kan worden door bacteriegroei.
Bij infecties aan de urinewegen wordt urine onderzocht op bacteriën.
HERSENVOCHT
Hersenvocht (= liquor cerebrospinalis) bevindt zich in de hersenen en in het ruggemerg.
Het is een heldere kleurloze vloeistof, die wordt verkregen door een punctie tussen twee lendewervels. De samenstelling
van liquor kan iets zeggen over de ziekten in de hersenen.
Ook hier kan onderzoek gedaan worden naar bacteriën.
MAAGSAP
De nuchtere maaginhoud wordt verkregen door hevelen of opzuigen (= sonderen).
Maagsap is sterk zuur. Een overmatige zuurproductie kan tot weefselbeschadigingen leiden.
In het maagsap wordt soms ook gezocht naar bacteriën, die een rol kunnen spelen bij de vorming van maagzweren.
(Dit zijn overigens geen echte zweren zoals iedereen die kent, maar meer beschadigingen van het weefsel.)
VRUCHTWATER
Vruchtwater (= amnionvocht) wordt soms onderzocht om iets te weten te komen over de gezondheid van de ongeboren
baby. Om vruchtwater te verkrijgen maakt men een punctie
door de buikwand en de baarmoederwand (vruchtwaterpunctie).
ONTLASTING
Ontlasting (= faeces) wordt soms onderzocht om de spijsvertering te controleren of om inwendige bloedingen op te
sporen. Het is normaal dat er in ontlasting bacteriën zitten. Hier wordt echter vaak naar bacteriën gezocht
die in normale ontlasting niet voor mogen komen.
Ook wordt soms naar wormeieren gezocht.
|
|